GrensgebiedVoor mijn moederlijk huis staan drie ranke hoge berken. Ze zijn daar geplant toen ik geboren werd. Ik hou van berken. Ze zijn mooi, gracieus, hebben iets ijls. In de winter kunnen ze zwaar beladen van de ijzel doorbuigen tot aan de grond. Om weer terug te veren na de eerste lentezon. De zacht groene kleur van de eerste bladeren. De witte bast glanzend in een nat hersftlandschap. Het ristelen in de zomer. Ik geniet van de berk.

Ik indentificeer me met de berk. De berk heeft veel licht nodig en groeit daarom vaak in grensgebieden. Tussen bos en heide, heide en moeras, tussen water en land, tussen aarde en hemel. Opgewassen tegen barre omstandigheden kiest de berk niet de makkelijkste plekken om te groeien. Wel de mooiste.

In mythen en legenden uit het noorden schuilt in de wortels van de berk een oude rijpe vrouw die mensen onderwijst en geneest. De wereldgeest kiest als adelaar zijn rustplaats hoog in de takken van de berk. Wie wil er nu niet een berk zijn?

Nou mijn man bijvoorbeeld. Die vindt dat een berk het zichzelf veels te moeilijk maakt en te bescheiden is. “Hoeveel dode en afgebroken berken zie jij eigenlijk als we wandelen? Half verzopen in een moeras? Geef mij maar een eik, of een beuk. Zo’n mooie rode, alleen in het veld. Die maakt tenminste een statement. Neemt zijn ruimte in volle wasdom in. Markeert in de herfst zijn gebied met een vol tapijt van bladeren om zijn stevige stam”. Tja, als berk kan ik dan alleen nog maar zacht ruisen.